Het einde van de wereld

Ik bereisde de wereld was in vele landen steden dorpen wegen mensen. De stad der winden werd mijn thuis de straat der vrijheid was de mooiste straat er stonden bomen. Door de kachel waaide eeuwige muziek van bladeren de Armeense geest dacht jij. Dag en nacht zat je in de zetel naast de kachel las je dronk je zong je maar de geest maakte je bang. De wind is onvoorstelbaar zei je ze streelt je wiegt je in slaap zei je ze geselt striemt je gezicht zei je maar ik kan haar niet bevechten kan haar niet vangen zei je

Jij
                bent
                        als de wind 

We leefden in je zetel aten gierst we dronken wodka kauwden zonnebloempitten, eindeloos, totdat onze monden rauw waren en onze lippen bloedden van het zout. Je likte mijn bloed dronk mijn pies niets was te vies voor jou. Kunstenaarseten noemde je dat. Ik was geen kunstenaar niets niemand want het kon me niet meer schelen wie ik was. We trokken naar de bergen in de trein nam ik langzaam afscheid van mijn leven dag bomen dag dromen dag oude ik. Algauw was ik op de top van de wereld en zweefde danste waande ik me aan het einde van de wereld niets en niets dan jij was belangrijk meer. 
We leefden in de wind zaten buiten keken naar de lichtgevende wezentjes die door de mist het dal inkropen. We luisterden naar de wind gaven haar verschillende namen wind-in-het-hart-snijdend of wind-boze-geest-meedragend. Wind-je-maakt-me-bang zei je op een dag stijg je op en waai je van me weg. Ik klemde me aan je vast kroop in je beresterke armen tegen je grote lijf aan je berenvel om me heen. Nee nee nee nooit. Toen waren grote woorden nog heel gewoon je bent de mooiste de liefste de leukste de slimste de beste de grootste de zachtste de liefste de 

nooit
                meer 
                        een
                                    anderste
                                
Was je maar een steen zei je ik zou je onderin de rivier leggen je zou nooit slijten je zou nooit wegstromen.

Was je maar een ster zei je ik zou je zo hoog in het universum plaatsen niemand anders zou je kunnen raken.

Was je desnoods maar de zee zei je ik zou je nooit kunnen vastpakken nooit kunnen strelen maar troost zou ik vinden in je warme schoot.

Als ik die man was... zei je. 

“Die man hield zo heel veel van zijn vrouw. Ik bouw een gouden kooi dacht hij ik sluit haar op dacht hij ze kan niet weg en blijft voor altijd bij me. De vrouw hield zo heel veel van haar man ze dacht ik ben gevangen maar dacht zij ik draag dit als een offer. Nooit meer dacht zij komt er een man die zo heel erg veel van mij kan houden.”

“Zo zat zij in de kooi zij leefde van de wereld van haar dromen haar gedachten maar op een dag hielden de verhalen op. De wind waaide naar binnen zij naar buiten de Armeense geest dacht hij en hij werd bang. Ik hak haar benen af dacht hij zo blijft ze gaat ze nooit meer weg en zal zij nooit iets anders willen meer dan ik.”

“De vrouw hield zo heel veel van haar man ze dacht ik kan niet lopen kan niet dansen maar dacht zij ik draag dit als een offer. Nooit meer dacht zij komt er een man die zo heel erg veel van mij kan houden.”

“Zo zat zij in de kooi zij leefde van de wereld van haar herinneringen maar op een dag hielden de verhalen op. Zij stak haar arm naar buiten naar de wind de Armeense geest dacht hij en hij werd bang. Ik hak haar armen af dacht hij zo blijft zij gaat ze nooit meer weg en zal zij nooit iets anders willen meer dan ik.”

“De vrouw hield zo heel veel van haar man ze dacht ik kan niet voelen kan niet strelen maar dacht zij ik draag dit als een offer. Nooit meer dacht zij komt er een man die zo heel erg veel van mij kan houden.”

“Zo zat zij in de kooi dag in dag uit draaide zij haar hoofd richting de wind de Armeense geest dacht hij en werd jaloers. Ik hak haar hoofd af dacht hij nooit meer zal zij aan die ander denken nooit iets anders willen meer dan ik. “
    
“Zonder hoofd kon de vrouw niet zo heel veel van de man meer houden. Hij liet haar lichaam los in de wind pakte haar tilde haar bracht haar naar boven boven hoger hoger hoger.................”

De stilte sloeg tegen mijn  gezicht 

        Als 
            ik
                    die 
                        vrouw 
                              was...                

Dat weet ik zei je 

Wind kun je niet vangen in een kooi zei je

Wind kun je niet vangen in een bubbel zei je. Uren dagen kun je zweven dansen in de lucht maar op een dag klapt ie uit elkaar. 

Wind kun je niet vangen zij is van alles iedereen de wereld. Zei je ik kan niet met je mee gaan. Zei je ik kan niet vliegen. Zei je want jij kan mij niet dragen zei je.

En ik. Ik ademde de volle lucht bijt jarenlang mijn nagels stuk volg je in mijn dromen mijn gedachten overal had ik maar gekund maar weet ik kan het niet en huil en huil en teken je gezicht elke dag opnieuw elke dag in een ander aangezicht honderd duizend honderdduizend keer ga je door mijn handen heen totdat de verf zegt stop.